De bron vind je door tegen de stroom in te gaan

Rik Torfs – oud-rector van de KU Leuven

(een bewerking van de meditatie gehouden bij de Viering tgv de Opening van het Academisch Jaar in de Hooglandse Kerk, 2 september 2018)

Zo, ik ben erg blij dat ik hier vandaag een overweging mag houden. Des te meer als kerkjurist. Ook omdat het gaat om een viering die niet aan de protestantse en ook niet de katholieke regels beantwoordt.

Anarchie is altijd een bron van vernieuwing.

Ik zou willen beginnen met een citaat van iemand, van wie ik verrassend genoeg veel geleerd heb. Een Nederlander, ook dat is ontologisch niet onmogelijk, maar wel iemand die zijn land verlaten heeft. Dat was monseigneur Wim de Bekker, de vroegere bisschop van Paramaribo. Ik zat daar ooit eens per ongeluk tijdens een paasmis. Hij zei daar: “De bron vind je door tegen de stroom in te gaan.”

Dat is zelfs voor een natuurkundige of wetenschapper, die nog dichter de waarheid benadert dan een socioloog, iets wat niet kan worden ontkend. Je moet inderdaad tegen de stroom ingaan om de bron te kunnen vinden. Om terug te komen bij de ideeën die je tijdens je jeugd inspireerden, die je maakten tot wie je toen was en die je hopelijk voor een stuk bent gebleven. Dat is de gedachte.

Nu, als je mensen vraagt of ze tegen de stroom ingaan, zullen ze allemaal “ja” zeggen. Iedereen noemt zichzelf een revolutionair. Zelfs de meest geslagen kantoorklerk die van zijn vrouw thuis al 20 jaar zijn mond niet mag opendoen, zal zeggen, eigenlijk ben ik een revolutionair. En er verschijnt een spoor van glinstering in zijn ooghoeken. Toch denk ik dat we vaak meelopen, de trend volgen, onnadenkend en ons tegelijk een imago van vernieuwing aanmeten. Zo gaat het heel dikwijls.

Wat zijn zoal de dingen die we vandaag kunnen achternalopen zonder enig risico? En zonder moed

Ik zie drie punten:

Het eerste is: morele gestrengheid. Er mag weer veel minder dan vroeger. Vrijheid, blijheid, de jolige jaren 70 waar sommigen onder u helaas de sporen nog van meedragen, zie ik. Wel, die jaren zijn voorbij.

Nu geldt zero tolerance. Veel mensen hebben zogezegd een voorbeeldfunctie. En zero tolerance wordt met lage stem uitgesproken. Want als je het met een hogere stem zegt en in het Nederlands, a fortiori met een Vlaams accent, dan lijkt dat geritsel in de marge nog altijd mogelijk.

Zero tolerance. En een contractuele opvatting van de moraal schuld en boete, voor wat hoort wat, oog om oog, tand om tand. Vergiffenis schenken is iets voor watjes en barmhartigheid een spoor van een verdwenen religie. Iemand die een fout maakt kan voor altijd afgeschreven zijn, de harde moraal.

Een tweede punt: de ratio. Nu de goden wat moeilijker ademhalen en voor velen geloof iets heel moeilijks zelfs onmogelijks is, groeit het geloof in de rede, als oplossing voor alles.

Misschien kan de wetenschap wel gelijk welk probleem dat zich zou kunnen voordoen oplossen. Daar rekenen we dan wel op.

Vroeger leek het even anders. Je had aarzelende filosofen vooral Fransen, die onder invloed van wijn en vaak lijdend aan aids als eerste slachtoffers de gekste uitspraken deden. Michel Foucault bijvoorbeeld de relativiteit der dingen. De standpuntelijkheid. Jacques Derrida. Ging ook die kant op. Maar daar moeten we blijkbaar van weg. We moeten één duidelijke waarheid hebben en zelfs de gedragswetenschappen die voordien opvielen door een zekere bescheidenheid en lichte wankelmoedigheid doen zich vandaag voor als hoeders van de absolute waarheid.

Soms denk ik dat wetenschappers die – vroeger vooral – veel hadden aan filosofie, zich vandaag in de statistiek wentelen als voornaamste bron van kennis. Waarom?

Filosofie is vaak te mooi om waar te zijn en statistiek te waar om mooi te zijn en vaak niet eens waar. Dat is het tweede punt.

Dan heb je een derde punt het tribale denken. Ik herinner mij dat men vroeger zei vanuit een christelijke inspiratie: ieder mens is uniek, hoe raar en gek en vreemd die persoon ook is. Vandaag lijkt de mens vooral deel uit te maken van een groep. Hij is een vrouw, of liever zij, of een transgender of een bejaarde of een arts of iemand van vreemde origine. Het individu verdrinkt in het neotribale denken. Het echte respect voor de mens verdwijnt in bredere categorieën.

Dat zijn drie trends van vandaag. Voor mensen die zeer terecht nu pas beginnen te luisteren: de eerste: de absolute moraal, de tweede: het absolute geloof in de rede en de derde: het individu dat moet zwichten voor het neotribale denken.

Hoe kunnen we nu de morele moed vinden om daartegenin te gaan? Wel, dan verwijlen mijn gedachten een moment bij een figuur die vroeger in onze streken bekender was, namelijk wijlen Jezus Christus. Die op een fantastische manier in het verhaal van Zacheüs alle dingen doorbreekt, die vandaag steeds meer als vanzelfsprekend worden ingelepeld. En om mijn stelling te staven heb ik zes punten, daarna is er muziek.

Het eerste punt is dit: het verhaal van Zacheüs is een verhaal. Het is geen gesloten systeem. Het is geen theorie waarin de werkelijkheid tegen wil en dank moet passen. Dat is niet zo. In die zin komt deze manier van denken zelfs beter overeen met het denken van bijvoorbeeld de huidige paus Franciscus – dit gewoon terloops – dan met dat van zijn twee voorgangers, Johannes Paulus II en Benedictus XVI, die in feite fans waren van hun eigen kerkelijk systeem en het bij regen en ontij tegen alles en iedereen wilden verdedigen vaak ten koste van de mens, onder andere ten koste van de seksueel misbruikte mens.

Dat is mijn eerst punt het verhaal van Zacheüs heeft de charme een verhaal te zijn. Dat we niet alles opvullen.

Het tweede punt is dit: het is niet alleen een verhaal maar Jezus doet dingen die we van hem niet zouden verwachten. Hij is vriendelijk tegen Zacheüs terwijl de logica zou gebieden om tegen deze lichtjes corrupte man nors te blijven. Als de wereld wordt ingedeeld tussen goed en kwaad dan hoort Zacheüs bij het kwaad. Maar voor Jezus is dat allemaal niet zo eenvoudig. Vaak krijg ik als katholiek, wat ik nog altijd ben en blijf, te horen: “ja maar je zegt dat nu wel maar wat zou Jezus hierover gezegd hebben?” En mijn gesprekspartners kijken dan al uit met een strenge blik uit naar een onverbiddelijke terechtwijzing. Jezus die zou er nogal tegenaan zijn gegaan, vinden ze. Maar zijn kracht is juist dat hij altijd verraste en dat hij, godzijdank voor ons, redelijk wat sympathie had voor het kwaad en voor de lichtjes onvolmaakte mens. Dat was het tweede punt. Wat zou Jezus zeggen? Wel, die geldzucht en corruptie van Zacheüs verhindert niet om contact met hem te leggen.

Dan is er een volgend punt, punt drie. De evangelietekst laat ook zien hoe Zacheüs, geen lieverdje, toch moeite doet om Jezus te zien. Het dubbele in de mens. Hij is klein van gestalte, doorgaans een teken van intelligentie, en klimt in een boom om Jezus te zien. Waarom doet hij dat eigenlijk? Dat vernemen we niet. Het kan dat hij bewogen wordt door allerlei idealen, maar misschien helemaal niet, misschien is hij gewoon nieuwsgierig, of voornamelijk dat, en why not? Waarom moeten de drijfveren voor het goede altijd honderd procent zuiver zijn? De zuivere moraal helpt ons ook hier niet.

De scène gaat verder, dat is punt vier. Jezus ziet Zacheüs, vraagt hem naar beneden te komen en doet dan iets wat eigenlijk betrekkelijk onbeleefd is. Hij nodigt zichzelf bij Zacheüs uit. Doorgaans is het andersom. Als u met buren te kampen krijgt die zichzelf voortdurend bij uzelf uitnodigen zal u toch een ommetje maken wanneer u hen dreigt te ontmoeten. Maar hier is het de gast die kiest en het vreemde is dat de gastheer is blij is omdat hij wordt uitgekozen om op zijn kosten die man te herbergen. Ook dat vind ik een pluspunt. We zijn dat niet gewoon. Het draait alles om en natuurlijk heb je mensen die zeggen: “Hoe is het toch mogelijk dat hij juist bij deze zondaar op bezoek komt?” Terwijl er onder de toeschouwers door een speling van het lot heel veel vromen welhaast volmaakte mensen stonden. Maar de volmaakten vielen uit de boot. Dat moet toch erg zijn voor moreel absolutisten.

Daarna hebben we het volgende punt en dat is punt vijf. Jezus vraagt Zacheüs niets. Hij zegt niet: “Goede vriend ,word vanaf nu deugdzaam of probeer iets minder corrupt te zijn.” Of “betracht enige vriendelijkheid terwijl u de deugd der corruptie beoefent.” Dat zegt hij allemaal niet. Hij zou ook kunnen komen tot een verbod. Het vingertje.  De moraaltheoloog Roger Burggraeve heeft het erover dat het verbod nog niet per se slecht is. Want het stelt een ondergrens, maar geen bovengrens. Je kan veel doen, heel genereus zijn of maar gedeeltelijk. Maar juist door het charisma en het niet veroordelen van Jezus komt Zacheüs zelf tot een oplossing. Er is niet altijd een verbod nodig om tot het goede te komen. Integendeel, het volstaat om iedereen te laten blijken wat het kan zijn en daar is het. Ook dat is, denk ik, een ongelooflijke bevrijding. Jezus rept met geen woord over het verbod. Zacheüs doet spontaan het goede.

Tot slot: punt zes. Kleine details tellen zeker mee. Wat doet Zacheüs? Hij schenkt de helft van zijn bezit aan de armen. De andere helft niet? Dat vind ik bevrijdend. Die andere helft behoudt hij voor zichzelf. Die man denkt: “Ja, ik wil eigenlijk ook wel een leuk leven, een glas wijn blijven drinken af en toe. En als ik de helft al afgeef, dat is misschien niet zo slecht.” Plus ook nog een aantal compensatieregelingen voor de corruptie, die laat ik terzijde. Maar hij geeft de helft wel degelijk af.

Nu kan je dat op twee manieren bekijken. Je kan hem veroordelen omdat hij de andere helft houdt of hem prijzen omdat hij de moed heeft om de ene helft af te geven. Ik vind de tweede houding niet alleen genereuzer maar ook mooier en gezelliger voor de vroegere bezitter van het gehele fortuin. Dat maakt, denk ik, deze boodschap ongelofelijk krachtig. De absolute moraal aan diggelen. De volkomen redelijke oplossing blijkt onhoudbaar en wordt vervangen door een betere. En het tribale denken, de tollenaars, de slechteriken moet zwichten voor de keuze van Jezus voor één enkel mens. En uiteindelijk zegt hij ook niet dat de mensen zich moeten bekeren tot hem, maar Jezus zegt: “Het is mijn taak om naar de mensen op zoek te gaan.”

Kortom als dat niet tegen de stroom ingaan is, als dat geen teken is van morele moed.