Auteursarchief: Rapenburg100

Spring Dinner March 26th

Invitation to a Potluck dinner on the theme Respect, including a workshop

We all need respect. And yet it is not always there. Respect is in the many subtle ways we can see each other. Being treated with respect opens up a space where people can be the specific person they are. Come join us at the spring dinner and help us create that space.

Join us by subscribing here.

The Spring Dinner is organized by Ekklesia, Popcorner FSW, Popcorner FGW and the Meeting Point for refugee students Leiden University.

De bron vind je door tegen de stroom in te gaan

Rik Torfs – oud-rector van de KU Leuven

(een bewerking van de meditatie gehouden bij de Viering tgv de Opening van het Academisch Jaar in de Hooglandse Kerk, 2 september 2018)

Zo, ik ben erg blij dat ik hier vandaag een overweging mag houden. Des te meer als kerkjurist. Ook omdat het gaat om een viering die niet aan de protestantse en ook niet de katholieke regels beantwoordt.

Anarchie is altijd een bron van vernieuwing.

Ik zou willen beginnen met een citaat van iemand, van wie ik verrassend genoeg veel geleerd heb. Een Nederlander, ook dat is ontologisch niet onmogelijk, maar wel iemand die zijn land verlaten heeft. Dat was monseigneur Wim de Bekker, de vroegere bisschop van Paramaribo. Ik zat daar ooit eens per ongeluk tijdens een paasmis. Hij zei daar: “De bron vind je door tegen de stroom in te gaan.”

Dat is zelfs voor een natuurkundige of wetenschapper, die nog dichter de waarheid benadert dan een socioloog, iets wat niet kan worden ontkend. Je moet inderdaad tegen de stroom ingaan om de bron te kunnen vinden. Om terug te komen bij de ideeën die je tijdens je jeugd inspireerden, die je maakten tot wie je toen was en die je hopelijk voor een stuk bent gebleven. Dat is de gedachte.

Nu, als je mensen vraagt of ze tegen de stroom ingaan, zullen ze allemaal “ja” zeggen. Iedereen noemt zichzelf een revolutionair. Zelfs de meest geslagen kantoorklerk die van zijn vrouw thuis al 20 jaar zijn mond niet mag opendoen, zal zeggen, eigenlijk ben ik een revolutionair. En er verschijnt een spoor van glinstering in zijn ooghoeken. Toch denk ik dat we vaak meelopen, de trend volgen, onnadenkend en ons tegelijk een imago van vernieuwing aanmeten. Zo gaat het heel dikwijls.

Wat zijn zoal de dingen die we vandaag kunnen achternalopen zonder enig risico? En zonder moed

Ik zie drie punten:

Het eerste is: morele gestrengheid. Er mag weer veel minder dan vroeger. Vrijheid, blijheid, de jolige jaren 70 waar sommigen onder u helaas de sporen nog van meedragen, zie ik. Wel, die jaren zijn voorbij.

Nu geldt zero tolerance. Veel mensen hebben zogezegd een voorbeeldfunctie. En zero tolerance wordt met lage stem uitgesproken. Want als je het met een hogere stem zegt en in het Nederlands, a fortiori met een Vlaams accent, dan lijkt dat geritsel in de marge nog altijd mogelijk.

Zero tolerance. En een contractuele opvatting van de moraal schuld en boete, voor wat hoort wat, oog om oog, tand om tand. Vergiffenis schenken is iets voor watjes en barmhartigheid een spoor van een verdwenen religie. Iemand die een fout maakt kan voor altijd afgeschreven zijn, de harde moraal.

Een tweede punt: de ratio. Nu de goden wat moeilijker ademhalen en voor velen geloof iets heel moeilijks zelfs onmogelijks is, groeit het geloof in de rede, als oplossing voor alles.

Misschien kan de wetenschap wel gelijk welk probleem dat zich zou kunnen voordoen oplossen. Daar rekenen we dan wel op.

Vroeger leek het even anders. Je had aarzelende filosofen vooral Fransen, die onder invloed van wijn en vaak lijdend aan aids als eerste slachtoffers de gekste uitspraken deden. Michel Foucault bijvoorbeeld de relativiteit der dingen. De standpuntelijkheid. Jacques Derrida. Ging ook die kant op. Maar daar moeten we blijkbaar van weg. We moeten één duidelijke waarheid hebben en zelfs de gedragswetenschappen die voordien opvielen door een zekere bescheidenheid en lichte wankelmoedigheid doen zich vandaag voor als hoeders van de absolute waarheid.

Soms denk ik dat wetenschappers die – vroeger vooral – veel hadden aan filosofie, zich vandaag in de statistiek wentelen als voornaamste bron van kennis. Waarom?

Filosofie is vaak te mooi om waar te zijn en statistiek te waar om mooi te zijn en vaak niet eens waar. Dat is het tweede punt.

Dan heb je een derde punt het tribale denken. Ik herinner mij dat men vroeger zei vanuit een christelijke inspiratie: ieder mens is uniek, hoe raar en gek en vreemd die persoon ook is. Vandaag lijkt de mens vooral deel uit te maken van een groep. Hij is een vrouw, of liever zij, of een transgender of een bejaarde of een arts of iemand van vreemde origine. Het individu verdrinkt in het neotribale denken. Het echte respect voor de mens verdwijnt in bredere categorieën.

Dat zijn drie trends van vandaag. Voor mensen die zeer terecht nu pas beginnen te luisteren: de eerste: de absolute moraal, de tweede: het absolute geloof in de rede en de derde: het individu dat moet zwichten voor het neotribale denken.

Hoe kunnen we nu de morele moed vinden om daartegenin te gaan? Wel, dan verwijlen mijn gedachten een moment bij een figuur die vroeger in onze streken bekender was, namelijk wijlen Jezus Christus. Die op een fantastische manier in het verhaal van Zacheüs alle dingen doorbreekt, die vandaag steeds meer als vanzelfsprekend worden ingelepeld. En om mijn stelling te staven heb ik zes punten, daarna is er muziek.

Het eerste punt is dit: het verhaal van Zacheüs is een verhaal. Het is geen gesloten systeem. Het is geen theorie waarin de werkelijkheid tegen wil en dank moet passen. Dat is niet zo. In die zin komt deze manier van denken zelfs beter overeen met het denken van bijvoorbeeld de huidige paus Franciscus – dit gewoon terloops – dan met dat van zijn twee voorgangers, Johannes Paulus II en Benedictus XVI, die in feite fans waren van hun eigen kerkelijk systeem en het bij regen en ontij tegen alles en iedereen wilden verdedigen vaak ten koste van de mens, onder andere ten koste van de seksueel misbruikte mens.

Dat is mijn eerst punt het verhaal van Zacheüs heeft de charme een verhaal te zijn. Dat we niet alles opvullen.

Het tweede punt is dit: het is niet alleen een verhaal maar Jezus doet dingen die we van hem niet zouden verwachten. Hij is vriendelijk tegen Zacheüs terwijl de logica zou gebieden om tegen deze lichtjes corrupte man nors te blijven. Als de wereld wordt ingedeeld tussen goed en kwaad dan hoort Zacheüs bij het kwaad. Maar voor Jezus is dat allemaal niet zo eenvoudig. Vaak krijg ik als katholiek, wat ik nog altijd ben en blijf, te horen: “ja maar je zegt dat nu wel maar wat zou Jezus hierover gezegd hebben?” En mijn gesprekspartners kijken dan al uit met een strenge blik uit naar een onverbiddelijke terechtwijzing. Jezus die zou er nogal tegenaan zijn gegaan, vinden ze. Maar zijn kracht is juist dat hij altijd verraste en dat hij, godzijdank voor ons, redelijk wat sympathie had voor het kwaad en voor de lichtjes onvolmaakte mens. Dat was het tweede punt. Wat zou Jezus zeggen? Wel, die geldzucht en corruptie van Zacheüs verhindert niet om contact met hem te leggen.

Dan is er een volgend punt, punt drie. De evangelietekst laat ook zien hoe Zacheüs, geen lieverdje, toch moeite doet om Jezus te zien. Het dubbele in de mens. Hij is klein van gestalte, doorgaans een teken van intelligentie, en klimt in een boom om Jezus te zien. Waarom doet hij dat eigenlijk? Dat vernemen we niet. Het kan dat hij bewogen wordt door allerlei idealen, maar misschien helemaal niet, misschien is hij gewoon nieuwsgierig, of voornamelijk dat, en why not? Waarom moeten de drijfveren voor het goede altijd honderd procent zuiver zijn? De zuivere moraal helpt ons ook hier niet.

De scène gaat verder, dat is punt vier. Jezus ziet Zacheüs, vraagt hem naar beneden te komen en doet dan iets wat eigenlijk betrekkelijk onbeleefd is. Hij nodigt zichzelf bij Zacheüs uit. Doorgaans is het andersom. Als u met buren te kampen krijgt die zichzelf voortdurend bij uzelf uitnodigen zal u toch een ommetje maken wanneer u hen dreigt te ontmoeten. Maar hier is het de gast die kiest en het vreemde is dat de gastheer is blij is omdat hij wordt uitgekozen om op zijn kosten die man te herbergen. Ook dat vind ik een pluspunt. We zijn dat niet gewoon. Het draait alles om en natuurlijk heb je mensen die zeggen: “Hoe is het toch mogelijk dat hij juist bij deze zondaar op bezoek komt?” Terwijl er onder de toeschouwers door een speling van het lot heel veel vromen welhaast volmaakte mensen stonden. Maar de volmaakten vielen uit de boot. Dat moet toch erg zijn voor moreel absolutisten.

Daarna hebben we het volgende punt en dat is punt vijf. Jezus vraagt Zacheüs niets. Hij zegt niet: “Goede vriend ,word vanaf nu deugdzaam of probeer iets minder corrupt te zijn.” Of “betracht enige vriendelijkheid terwijl u de deugd der corruptie beoefent.” Dat zegt hij allemaal niet. Hij zou ook kunnen komen tot een verbod. Het vingertje.  De moraaltheoloog Roger Burggraeve heeft het erover dat het verbod nog niet per se slecht is. Want het stelt een ondergrens, maar geen bovengrens. Je kan veel doen, heel genereus zijn of maar gedeeltelijk. Maar juist door het charisma en het niet veroordelen van Jezus komt Zacheüs zelf tot een oplossing. Er is niet altijd een verbod nodig om tot het goede te komen. Integendeel, het volstaat om iedereen te laten blijken wat het kan zijn en daar is het. Ook dat is, denk ik, een ongelooflijke bevrijding. Jezus rept met geen woord over het verbod. Zacheüs doet spontaan het goede.

Tot slot: punt zes. Kleine details tellen zeker mee. Wat doet Zacheüs? Hij schenkt de helft van zijn bezit aan de armen. De andere helft niet? Dat vind ik bevrijdend. Die andere helft behoudt hij voor zichzelf. Die man denkt: “Ja, ik wil eigenlijk ook wel een leuk leven, een glas wijn blijven drinken af en toe. En als ik de helft al afgeef, dat is misschien niet zo slecht.” Plus ook nog een aantal compensatieregelingen voor de corruptie, die laat ik terzijde. Maar hij geeft de helft wel degelijk af.

Nu kan je dat op twee manieren bekijken. Je kan hem veroordelen omdat hij de andere helft houdt of hem prijzen omdat hij de moed heeft om de ene helft af te geven. Ik vind de tweede houding niet alleen genereuzer maar ook mooier en gezelliger voor de vroegere bezitter van het gehele fortuin. Dat maakt, denk ik, deze boodschap ongelofelijk krachtig. De absolute moraal aan diggelen. De volkomen redelijke oplossing blijkt onhoudbaar en wordt vervangen door een betere. En het tribale denken, de tollenaars, de slechteriken moet zwichten voor de keuze van Jezus voor één enkel mens. En uiteindelijk zegt hij ook niet dat de mensen zich moeten bekeren tot hem, maar Jezus zegt: “Het is mijn taak om naar de mensen op zoek te gaan.”

Kortom als dat niet tegen de stroom ingaan is, als dat geen teken is van morele moed.

Balans vinden

Ik ben Roos Mank, 21 jaar en psychologie studente in Leiden. Na drie jaar heb ik nu net de bachelor van psychologie afgerond. Op naar de volgende stap…… maar wat? Met deze vraag heb ik vorig jaar een lange tijd rondgelopen. Wil ik meteen door met mijn master? Wil ik reizen en terugkomen met de cliché ‘ik heb mezelf écht leren kennen’? Nog een bestuursjaar doen, maar dan een die fulltime is? Of wil ik toch meer werkervaring opdoen voordat ik mijn master start? Met het laatste idee in mijn hoofd ben ik allerlei bedrijven gaan contacten.

Tijdens mijn studie ben ik er achter gekomen dat ik drie richtingen heel erg interessant vind: schoolpsychologie, positieve psychologie en sociale & organisatiepsychologie. De bedrijven die ik contacteerde met de vraag of ik er stage kon lopen, hadden dan ook betrekking op een of meerdere van deze drie richtingen. Op deze manier kwam ik contact met Dineke Ploeger van Kindercoach praktijk: de Twee Uilen. Dineke coacht kinderen tussen de 5 en 15 jaar die een steuntje in de rug nodig hebben. De coachsessies gaan over allerlei hulpvragen: hoe om te gaan met hoogbegaafdheid; is mijn kind depressief; waardoor is mijn kind angstig? Ze moest mij helaas vertellen dat ik bij haar niet stage kon lopen, omdat ze eenmanszaak is en het hierdoor niet haalbaar voor haar was.

Dineke ging in het gesprek wel uitgebreid vertellen hoe ze te werk gaat. In haar verhaal beschreef ze onder anderen het door haar veelgebruikte ‘TOL-model’. Dit model staat voor Totale Ontwikkelings Loop. Het model is ontwikkeld door Edith Steijns van Treen je Breen. Het onderscheidt drie zones waarin je je kunt bevinden:

De comfortzone: In deze zone is je TOL in balans. Je beheerst een bepaalde soort kennis of vaardigheid zo sterk dat je er niet meer over na hoeft te denken. Het gebeurt automatisch. Het voelt veilig, maar er is nauwelijks tot geen sprake van groei of ontwikkeling.

De ontwikkelzone: In deze zone komt de TOL in beweging. Je bent door motivatie uit de comfortzone gekomen, omdat je de mogelijkheid ziet om nieuwe kennis en vaardigheden op te doen. Het voelt spannender dan de comfortzone en geeft energie.

De paniekzone: In deze zone slingert de TOL of valt zelfs om. Er wordt in deze zone iets gevraagd waar je nog niet aan toe bent, waardoor je gefrustreerd kan raken. In deze zone kan groei en ontwikkeling plaatsvinden, maar ook paniek en stagnatie.

De tol wordt beïnvloed door positieve stimuli (hulpbronnen) en negatieve invloeden (stressbronnen) uit je omgeving. Wanneer je emotioneel in balans bent, zit je in het grensgebied tussen comfort- en ontwikkelzone en zul je zelfvertrouwen ervaren. In de comfortzone blijven lijkt vertrouwd en veilig aangezien de paniekzone vermijdt. Eigenlijk wil je op deze manier de hindernissen van de paniekzone vermijden met als consequentie dat je grotendeels stil blijft staan in potentiële ontwikkeling.

Aan deze verschillende zones heb ik vanaf dit gesprek nog vaak gedacht. Ik kreeg positieve reacties van stageplekken, vrijwilligersplekken en trainingen aangeboden. Er kwamen zo veel kansen op mij af, ik wilde ze aanpakken! Ik ging een NLP training volgen bij Plata Foundation, ging verder met mijn bestuurswerk bij Wij Helpen Daar (wat vanaf volgend jaar SAVIE gaat heten), wilde mijn bijles- overblijf en begeleidingskinderen zeker niet teleur stellen, vrienden en familie zien, zeker drie keer per week sporten en ojawilde ook nog mijn bachelor studie afronden.

Ik realiseerde me op dit soort drukke momenten dat ik op de grens van ontwikkelzone en paniekzone bevond. De tol moest terug naar de comfortzone. Ik ging weer wat rustiger aan doen, wat vaker terug naar Leiderdorp (naar mama) en pakte Yoga op bij het Universitaire Sport Centrum. Ik realiseerde me dat veel meer energie kreeg van de dingen die ik deed, als ik wat minder activiteiten ondernam.

Nu is het vakantie, en is het tijd om op te laden. Ik heb stages gevonden en ga hier volgend jaar enthousiast aan beginnen. Wat uiteindelijk altijd zal blijven is de volgende uitdaging: hoe behoud ik de balans tussen de uitdaging aangaan en trouw blijven aan mezelf?

Identiteit

– Constanze Borchert –

Het thema identiteit is heel breed. Je heb een nationale, religieuze en sociale identiteit en die veranderen ook altijd. Nationale identiteit ligt in Duitsland altijd moeilijk. Ja, ik ben Duits en vind dit ook ok, maar door de Duitse geschiedenis brengt dat ook een verantwoording en last met zich mee. Daardoor kunnen veel mensen zich niet 100% daarmee identificeren. Daarom zeg ik graag dat ik Saks ben en uit Dresden kom. Maar toch. Aangezien ik nu sinds 2006 in Stuttgart woon, voel ik me niet meer zo sterk met Dresden verbonden, maar ben ik dan nu een Stuttgarter geworden? Eigenlijk denk ik dat niet, want ik ben daar niet geboren of opgegroeid.

Deze Duitse opvatting van regionale identiteit vind ik eigenlijk niet goed. Daardoor kunnen nieuwe mensen namelijk niet ‘landen’ in een nieuwe regio of in Duitsland als geheel. Mensen met andere huidskleur worden dan ook altijd gevraagd waar ze vandaan komen. En het antwoord “Ik ben in Berlijn geboren” voldoet lang niet altijd. Er wordt dan namelijk verwacht dat je vertelt uit welk land je ouders of grootouders komen. De vraag waar je vandaan komt is daarom altijd moeilijk. Mijn oplossing is om te zeggen: “Ik woon in Stuttgart maar kom eigenlijk uit Dresden.”

Religieuze identiteit is een beetje makkelijker voor me, omdat de Duitse protestantse kerken een grote organisatie vormen. Ze bestaan uit een aaneensluiting van 20 regionale kerken, die allemaal ook weer een beetje anders zijn. En dat geldt ook voor verschillende gemeenten binnen een kerk. Bij de religieuze identiteit zijn voor mij de dingen die wij gemeen hebben belangrijker dan de verschillen. “Ik ben evangelisch.” werkt voor mij goed. Maar eigenlijk is de vraag waarom ik niet zeg dat ik christelijk ben? Waarschijnlijk omdat ik me niet met alle christelijke kerken 100% kan identificeren, hoewel wij dezelfde grondwetten hebben.

Lange tijd ben ik niet open geweest over het religieuze aspect van mijn identiteit, want als christen ben je in Dresden in de minderheid. Door de lange periode waarin het socialistische systeem overheerste, hebben veel mensen geen relatie meer met religie. Ze zien religie als oud, vreemd en conservatief. Daarom vertelde ik op school soms niet wat ik heb in de kerkelijke gemeente deed. Of vertelde ik niet zo veel als ik eigenlijk had gewild om geen negatieve reactie van mijn vrienden te krijgen. Nu ben ik daar zelfverzekerder over geworden.

Aan mijn sociale identiteit kleven heel veel aspecten. Ik ben een dochter, een oudere zus, een kleindochter, een vriendin, een student, een vrouw, een kunsthistorica, een science fiction-fan, ik speel piano, accordeon en fluit, ik ben een zangeres, een mens die heeft depressie gehad, iemand boven 30, iemand die Duits, Engels, Frans en Nederlands spreekt, die niet veel alcohol drinkt, niet rookt, die van kaas houd, van snoepjes en warme dagen. Maar wat betekent dat voor mij en voor andere mensen?

Ik denk dat een identiteit te maken heeft met een essentie, die je niet gemakkelijk kunt makkelijk veranderen. En daarnaast zijn er vele eigenschappen die je wel kunt veranderen. Maar allebei zijn in theorie te veranderen.

Identiteit is een netwerk, een verzameling van ervaringen en eigenschappen. Het klinkt nu misschien alsof identiteit ook karakter is. Maar misschien is identiteit dat deel van je karakter en geschiedenis, waarvan je je bewust kunt zijn en dat accepteert. [Geen idee of ik datzelfde een week later nog steeds denk.]

Maar wat heeft mijn half jaar in Nederland voor mijn identiteit betekend? Ik weet nog niet of het mijn karakter veranderd heeft. Maar ik identificeer me nu ook een beetje met Nederland. Dus heb ik op Koningsdag daarvoor mijn Facebook foto aangepast. Ik ben in ieder geval nu iemand die in het buitenland heeft gewoond, Nederlands verstaat en iemand die nu meer vrienden uit het buitenland heeft. Ik voel me nu niet alleen thuis in Dresden, Berlijn en Stuttgart, maar ook in Leiden en Delft. Is mijn identiteit nu anders? Ik denk dat het een nieuwe aspect heeft gekregen, maar de kracht daarvan is nog niet te zien en te voelen.

Wat altijd waar is, dat is: “Ik ben ik.” Maar dat betekent altijd net iets anders. Dus alles is veranderlijk.

 

Constanze Borchert studeerde een half jaar in Leiden en keerde dit voorjaar terug naar Duitsland.

Een uitwisselingssemester – om je te laten veranderen

– Constanze Borchert –

Na een semester in Leiden ben ik nu terug in Stuttgart en ik vraag me af of iets nu anders is dan voor mijn uitwisselingssemester. Ik ben terug in mijn oude kamer, ontmoet de zelfde vrienden en niet veel is veranderd als ik naar mijn wereld kijk. Maar ik voel me nu anders. Ik heb een heel half jaar veel nieuwe dingen gezien, een nieuwe taal geleerd, heb kennis met nieuwe mensen gemaakt, in een andere cultuur geleefd en was in deze tijd weg van mijn Duitse routines. Nu vraag ik me af: wat wil ik veranderen? Wat past nog bij mij? Wat moet ik doen, vooral ook omdat ik in mijn Duitse leven en routines merk, dat er in mijn uitwisselingssemester werkelijk iets gebeurd is en ik nu de wereld een beetje anders zie.

Ik denk dat er veel parallellen zijn tussen mijn ervaring en Pinksteren. Die gebeurtenis had ook Jezus’ leerlingen veranderd, niet zozeer uiterlijk, maar wel geestelijk. Ze hebben heel veel geleerd van Jezus, en hebben Pasen en Hemelvaartsdag meegemaakt. Nu kunnen zij eindelijk ook terug naar thuis en terug naar ze werk en routines gaan. Maar dat doen zij niet. Zij beginnen over Jezus en zijn verhaal te vertellen en zij geven een nieuwe routine en taak vorm in hun leven.

Een uitwisselingssemester is misschien niet zo’n ingrijpende gebeurtenis. Maar het is een gebeurtenis in mijn leven en ik wil me daardoor ook graag laten veranderen en mijn routines aanpassen. Net zoals mijn ervaring met God mijn leven ook al eerder steeds veranderd heeft en veranderen zal.